16-07-04

Sociale Economie als dam tegen het maatschappelijk onbehagen en extreem-rechts. Buurtdiensten en buurtfeesten, vermenigvuldigt u!

Afgelopen zaterdag (3 juli) organiseerde de Liga voor Mensenrechten in Brussel een samenkomst over mogelijke ‘strategieën tegen de verdere opmars van extreem-rechts’. De analyse van het hoe en waarom van ‘het Blok’ is al tot in den treure toe herkauwd. Tijd dus voor concrete ‘actie’ en constructieve voorstellen. Geen gemakkelijke opgave voor verenigd ‘intellectueel links’, dat graag analyseert en theoriseert, maar slechts met mondjesmaat met concrete, realistische ‘acties’ op de proppen komt. Dat bleek ook nu weer. Toch werden enkele interessante pistes aangegeven, zoals het organiseren van ‘buurtfeesten’ en meer aandacht voor de ‘sociale economie’.

In z’n boek ‘Anatomie en oorzaken van het wantrouwen’ maakte VUB-socioloog Mark Elchardus een röntgenfoto van het maatschappelijk onbehagen in Vlaanderen. Als één van de factoren die dat onbehagen doen groeien haalt Elchardus de verdrukking van laaggeschoolden in onze kennismaatschappij aan. In alle onderdelen van het maatschappelijke leven wordt van laaggeschoolden een kennisniveau verwacht dat ze niet aankunnen. Dit gevoel van onbehagen uit zich dan op twee punten: een pessimistisch toekomstbeeld en een gevoel van onveiligheid. Beiden factoren waar het Vlaams Blok handig op inspeelt.

België, en meer in het bijzonder Vlaanderen, dat een zeer open economie heeft zal altijd onderhevig zijn aan de fluctuaties van de wereldeconomie. Vooral laaggeschoolden zijn hier het slachtoffer van. Uit de recente werkloosheidscijfers blijkt dat nu ook hooggeschoolden steeds sneller in de werkloosheid belanden. Maar bij hen gaat het echter meestal om een tijdelijke situatie; ze worden als het ware even in ‘de koelkast’ gezet en ondertussen verder bijgeschoold. Wanneer de economie weer aantrekt zijn zij de eersten waaruit gerekruteerd wordt.

Het is slechts wanneer de economie op ‘volle toeren’ draait dat ook het reserveleger van zeer laaggeschoolden - en in zeer beperkte mate allochtonen - aangeboord wordt. Bij de minste economische terugval vliegen zij er als eerste terug uit. Dit kan niet anders dan aanleiding geven tot frustratie en onbehagen bij deze groepen; getuige daarvan o.a. de radicalisering van de allochtone gemeenschap en de roep bij sommigen voor het invoeren van quota.

In het huidige economische systeem, waar de winstcijfers en het tevreden stellen van de aandeelhouders dé maatstaf zijn – een nieuwe religie - , zullen steeds meer mensen uit de boot vallen en dreigt het onbehagen nog te groeien. De mens raakt ook steeds meer ‘vervreemd’ van het product of dienst dat hij produceert. (Halo Marx!) De binding met het bedrijf vervaagt. Beslissingen lijken genomen te worden door anonieme, onzichtbare krachten, waar men geen vat op heeft. Dit voedt alleen maar de angst en onzekerheid.

En indien het beleid ook ten aanzien van de allochtone gemeenschap in ons land de ogen blijft sluiten en geen radicale maatregelen durft of wil nemen om de sociaal-economische en maatschappelijke achterstelling weg te werken, dan zullen er nog veel Abou Jahjah’s opstaan…

Is er dan echt geen alternatief mogelijk, en moeten we ons neerleggen bij de ‘wetmatigheden’ van de markt en de systematische uitsluiting en discriminatie van bepaalde bevolkingsgroepen? . Het was ook één van de vragen die aan bod kwamen tijdens de bijeenkomst afgelopen zaterdag. Terecht werd er op gewezen dat een groot deel van onze ‘captains of industry’ een boontje hebben voor het Blok en z’n visie op economisch en (a-)sociaal beleid.

Maar er is wel degelijk een (begin van) alternatief. De sector van de ‘sociale economie’ heeft de laatste jaren een ware ‘boom’ doorgemaakt. De ‘sociale economie stelt dit primaat van de winst fundamenteel in vraag en heeft als één van de voornaamste doelstellingen o.a. het scheppen van duurzame en kwaliteitsvolle tewerkstelling voor zogenaamde ‘kansengroepen’. Dit gecombineerd met de aandacht voor de kwaliteit van de arbeid, het milieu en alle ‘stakeholders’ (klanten, leveranciers, buurt,….), moet op termijn leiden tot een model van economische ontwikkeling waarbij de winst niet exclusief uitgekeerd wordt aan de ongeduldige aandeelhouders, maar een middel is voor het bereiken van enkele maatschappelijke doelstellingen (tewerkstelling, milieu, zorgtaken). Ook de participatie, betrokkenheid en inspraak van de werknemer, de klanten én de buurt staan centraal in de filosofie van de sociale economie.

Tot voor enkele jaren werd de sector stiefmoederlijk behandeld en verkeerdelijk geassocieerd met welzijnswerk en losstaande initiatieven van enkele wereldverbeteraars. Hierin is de laatste jaren een kentering gekomen. Op Federaal niveau is er voor het eerst een minister bevoegd voor Sociale Economie; in Vlaanderen werd door de minister van Tewerkstelling de ‘meerwaardeneconomie’ in het leven geroepen.

De diversiteit aan initiatieven en ondernemingen die zich inschrijven in de filosofie van de sociale economie is enorm; sociale en beschutte werkplaatsen, invoegbedrijven en –afdelingen, startcentra voor de sociale economie, kringloopwinkels, ‘nieuwe’ coöperatieven, activiteitencoöperaties, alternatieve kapitaalverschaffers, Fair Trade organisaties, ondernemingen in zelfbeheer, de mens- en milieuvriendelijke ondernemingen, buurt- en nabijheidsdiensten…..

Hetgeen nu met veel dure woorden en mooie intentieverklaringen door het bedrijfsleven gepromoot wordt als ‘duurzaam ondernemen’, of ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ (maar helaas in veel gevallen beperkt blijft tot window-dressing), wordt al jarenlang in de praktijk gebracht door de sociale economie ondernemingen.

Beweren dat de sociale economie een dam tegen extreem-rechts en het maatschappelijk onbehagen kan opwerpen zou té pretentieus zijn. De sector heeft echter wel een onvervangbare rol te vervullen in het in stand houden van de sociale cohesie, de maatschappelijke integratie, het tegengaan van de duale arbeidsmarkt én als voorbeeldfunctie voor de reguliere ondernemingen. Sociaal verantwoord ondernemen kán. Ook laaggeschoolden en andere kansengroepen, zoals allochtonen hebben recht op duurzame integratie in het arbeidsbestel. De sociale economie ondernemingen bewijzen dit elke dag.

Vooral de buurt- en nabijheidsdiensten kunnen hier een cruciale rol spelen, door hun specifieke eigenheid: inspelend op de concrete noden van de directe buurt- of leefgemeenschap; gericht op de meest achtergestelde personen; mét participatie en inspraak van de ‘cliënten’ en werknemers; arbeid op maat van de werknemer… ‘Flexibiliteit’ is hier geen vies woord, want vooral ten dienste van de werknemer.

Op hun manier werpen zij een dam(metje) op tegen het maatschappelijke onbehagen en de verzuring. Door de mens centraal te stellen en op zijn manier volwaardig te laten participeren aan onze maatschappij, ongeacht zijn of haar afkomst. Door in te spelen op de meest acute problemen in – meestal achtergestelde – buurten; deze problemen die meestal aanleiding geven tot de ‘verzuring’ en het ‘foertstem-gedrag’.

De overheid heeft de verantwoordelijkheid om de buurt- en nabijheidsdiensten verder te ontwikkelen, en de sociale economie in het algemeen.

De ‘citoyens’ zullen wel zorgen voor de ambiance: buurtfeesten en barbecues: vermenigvuldigt u!

 

Jordi Lesaffer


10:19 Gepost door 3 juli comit | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

Commentaren

Niet enkel de Liga Voor alle volledigheid: de bijeenkomst in Brussel was niet georganiseerd door de Liga voor Mensenrechten, maar was een initiatief van verschillende mensen, waaronder Jos Vander Velpen (voorzitter Liga), maar ook Eric Goeman (Democratie 2000), Eric Corijn (Charta 91), Tarik Fraihi (Kif Kif) en Kristien Hemmerechts.

Gepost door: Angela | 16-07-04

De commentaren zijn gesloten.